Beginpagina » wielervaria 12

wielervaria 12

Het heeft even geduurd, maar hier is weer een verse editie van ‘Uit de Mongolenwaaier…’. Het duurde wat langer omdat ik met het mooie weer van de afgelopen tijd liever zelf op de fiets zat dan erover te schrijven. Bovendien kon ik even geen PC meer zien, omdat ik voor mijn scriptie bijna dag en nacht achter een PC heb moeten zitten. Aangezien het mooie weer maar niet ophoudt, moet ik er in deze hitte toch maar aan geloven.

Het onderwerp is deze keer wat afwijkend van alle eerdere onderwerpen, omdat het dit keer gaat over een wedstrijd die eigenlijk geen direct verband met De Bataaf heeft. Toch wilde ik mijn ervaringen delen, omdat het waarschijnlijk mijn meest indrukwekkende wielerervaring tot nu toe is. Het onderwerp van vandaag is Milaan - San Remo, niet de wereldbekerwedstrijd maar de editie voor de mindere goden, de amateur-editie dus. De naam ‘amateur-editie’ klinkt misschien wat minderwaardig, maar dat is het zeker niet. Het parcours is bijna identiek aan de prof-editie en dus ook net zo lang en zwaar. Daar komt nog bij dat het weer tijdens de tocht (meer dan 30 °C) een factor is waar Nederlanders (ik in ieder geval) in het voorjaar nog niet echt aan gewend zijn.

Ik heb met 14 collega’s van mijn werk 6 dagen in Italië vertoeft, waarvan er 10 daadwerkelijk gingen fietsen. Ik zal jullie besparen wat ik de andere vijf dagen heb gedaan (vooral van de zon genoten) en mezelf beperken tot de wedstrijddag.

Zondag 25 mei 2003 (wedstrijddag)
Allereerst even een kort overzicht van de fietsuitdaging die me te wachten stond:
~ Officiële naam: 33ª Gran fondo internazionale di ciclismo Milano Sanremo
~ Afstand: 295 km
~ Hoogteverschil: 1.200 meter
~ Aantal beklimmingen: 6 (waaronder natuurlijk de Poggio en de Cipressa)
~ Aantal deelnemers: circa 1200
~ Nationaliteiten: Italianen, Fransen, Zweden, Spanjaarden, Britten, Duitsers, Nederlanders, Noren en Belgen
~ Start: Rozzano (buitenwijk van Milaan)
~ Finish: Lungomare delle Nazioni (boulevard van San Remo)

De wekker liep af om 04:45, wel erg vroeg voor een zondagochtend en ik miste de traditionele muziek om me wakker te maken. Toch wakker kunnen worden en toen was het snel aankleden en alle spullen in de auto’s laden. Het ontbijtpakketje dat de medewerkers van het hotel hadden klaargezet, heb ik in de auto naar de start opgegeten. We kwamen om 06:00 aan en we waren bij lange na niet de eerste. Iedereen maakte zijn fiets gereed, kleedde zich om en vulde zijn bidonnen. Daarna naar de startplaats, waar om 07:10 het startschot viel en het peloton van 1200 renners langzaam in beweging kwam.

Door onze relatief late aankomst bij de startplaats, stonden we vrij ver achteraan. De eerste 120 km van de tocht was vlak en leidde, na Milaan te hebben verlaten, vooral over brede provinciale wegen. Dit saaie en ‘makkelijke’ stuk van het parcours werd door mij en een viertal collega’s dan ook aangegrepen om naar voren toe te rijden. Het eerste uur werd er gewoon een wedstrijdtempo gereden (45 - 50 km/h), dus zat ik soms gewoon af te zien in een ‘recreantenkoers’. Via allerlei kleinere groepen voegden we ons na drie kwartier bij het grote peloton. Behalve dat we nu lekker uit de wind zaten, was het grote voordeel dat voor het peloton de weg werd vrijgehouden en we dus door konden fietsen bij alle kruispunten en stoplichten. Er zat ook een nadeel aan, namelijk het risico van valpartijen. Ik heb zelf al meer dan 20 valpartijen gezien, vooral veroorzaakt doordat een aantal renners overduidelijk geen ervaring hadden met hoe in een peloton te rijden. Sommigen werd hun onervarenheid dan ook op een pijnlijke manier duidelijk gemaakt, door een nadere kennismaking met het asfalt.

Na 90 km de bidons bijgevuld, omdat door de warmte (’s ochtends al 28 °C) de voorraad drinkvocht erg hard ging. De eerste beklimming diende zich na 120 km aan. De klim was niet erg steil, maar vooral eindeloos. Voor de meeste Hollanders dus prima te doen. Bij het begin van de klim was ik nog maar in het gezelschap van één collega, de rest hield het tempo niet. Tijdens de klim twee keer weggereden uit een groep van 12 man, waarbij de eerste keer alleen een Italiaan mee ging. De eerste keer haalde het groepje van 12 ons halverwege de klim weer bij, de tweede keer (800 meter onder de top) kreeg ik niemand mee en werd het een solo. Op de top moest je door een donkere tunnel en door de eerdere inspanningen werd het ook even echt zwart voor mijn ogen.

De afdaling was gelukkig net zo lang als de klim, maar een stuk gevaarlijker. Renners bereikten snelheden tussen de 60 en 70 km/h, niets bijzonders maar het gevaar zat in het feit dat er gewoon verkeer op de weg reed en er een paar scherpe bochten inzaten. Een Duitser bewees dat goed opletten bittere noodzaak was. Hij vloog uit de bocht en ging voor het oog van mijn collega’s over de vangrail het ravijn in, hij mankeerde gelukkig niets ernstigs. De collega die ik in de klim had gelost, scheurde me halverwege de afdaling weer voorbij en werd nog bijna geplet tussen een busje en de vangrail. Het mooiste stukje van de afdaling bevond zich helemaal aan het eind. In de laatste bocht naar rechts zag je plotseling de Middellandse Zee opdoemen, die lag te schitteren in een fel middagzonnetje. Die laatste bocht leidde je een typisch Mediterraan kustplaatsje in; huizen in allerlei pastelkleuren, vissersbootjes vlak langs de kust en een gezellige boulevard met palmbomen. Aan het eind van dat dorpje (na 160 km) kwam ik mijn collega weer tegen bij een verzorgingspost, waar hij drinken en eten in stond te slaan. De rest van de collega’s achter ons, hadden zich inmiddels over het hele peloton verspreid.

Toen we allebei het asfalt weer opzochten en bij een groep van 10 man aansloten, begonnen de mooiste en zwaarste 130 kilometers van de tocht. Deze 130 km voerde langs de zogenaamde Riviera dei Fiori (bloemenrivièra) en dit hield in; constant aan je linkerhand een schitterend uitzicht over de Middellandse Zee, glooiende en kronkelende kustweggetjes en veel schilderachtige kustplaatsjes met nog veel meer palmbomen. Na 180 km liet ik op een glooiend kustweggetje tijdens een klimmetje het groepje met mijn laatste collega achter en reed ik alleen met een Spanjaard verder, op zoek naar groepje met een wat hoger tempo voor de resterende 115 km. We vonden een groepje met 9 Italianen, een Duitser en een Fransman, waar we aanhaakten.

De route langs de kust was erg druk wat betreft verkeer, niet verwonderlijk op een mooie warme zondag in mei. Op de smalle boulevards was het door die drukte soms wat lastig fietsen. Het schijnt in Italië heel normaal te zijn voor brommers en fietsers om over de middenstreep van de weg te rijden, terwijl het verkeer uit tegenovergestelde richting vlak langs je heen raast. Dit was even wennen, maar bij gebrek aan fietspaden was het wel de enige plek waar je een beetje door kon fietsen. Bij kruispunten en rode stoplichten werd ook niet gestopt, maar gelukkig stonden op bijna elk kruispunt ‘carabinieri’ (agenten). Door hard te fluiten waarschuwden de Italiaanse renners de carabinieri dat er wielrenners in aantocht waren, welke vervolgens al het verkeer tegenhielden zodat we door konden fietsen. Dan rijd je dus met 40 km/h tussen auto’s over drukke boulevards, door rode stoplichten, hopende dat de agent je gehoord en gezien heeft en daadwerkelijk het verkeer tegenhoudt. Remmen kan je toch niet meer dus rijd je maar door en gelukkig is er niets ernstigs gebeurd.

Ik was erg blij met mijn groepje met Italianen. Ze waren allemaal van een ploeg en reden dus lekker door. Wat wel grappig was dat bij elke boulevard de hoofden van de Italianen plotseling allemaal naar links gingen en dan werd er gewezen, iets geroepen met ‘familia’, even gelachen en vervolgens weer hard doorgereden. Als je dan ook naar links keek, kon je er vanuit gaan dat mijn Italiaanse ‘ploegmakkers’ weer een mooie vrouw hadden gespot. Hoewel ik erg genoot van mijn bonte gezelschap renners, liet ik dit groepje achter bij de ravitaillering waar zij stopten en ik doorreed. Het eerstvolgende ploegje waar ik aansloot, reed ik bij het eerste klimmetje al uit mijn wiel, dus moest ik verder op zoek. Het volgende groepje, met 8 renners (Italianen) in het rood, drie Duitsers en een Brit, bleek mijn definitieve groepje.

De laatste 70 kilometers werden steeds heuvelachtiger en de al 225 afgelegde kilometers begonnen zich te wreken. De alom bekende Cipressa en Poggio moesten nog komen, maar daarvoor kwam nog een minder bekende klim, namelijk de ‘Capo Berta’. Deze klim vond ik zwaarder dan de Poggio en Cipressa. Bij deze klim viel mijn laatste groepje uit elkaar en reed ik samen met de Brit verder. Het afzien op de Capo Berta werd een beetje verlicht door een verkeersbord ter plaatse waarop stond dat San Remo nog maar 38 km fietsen was. Het verbeten gezicht van mijn metgezel veranderde kortstondig in een glimlach, toen ik hem op het bord wees. De Brit stopte bij de ravitaillering 30 km voor het einde, dus moest ik het laatste stuk (met de Poggio en Cipressa) alleen afleggen.

De Cipressa verteerde ik redelijk goed en toen resteerde alleen nog de Poggio. Toen ik de Poggio op aan het fietsen (lees: harken) was kwam een Italiaan voorbij die een grapje maakte over Bettini, die ik natuurlijk niet snapte. Ik lachte even beleefd (en keek net alsof ik het wel snapte) en zag de Italiaan ook niet erg soepeltjes meer omhoog fietste. Ik dus in zijn wiel gaan zitten en heb hem vlak voor de top van de Poggio nog even verschalkt.

Bovenop de Poggio wachtte de renners een mooi vergezicht over een zonnig San Remo en een heel erg bochtige en lastige afdaling. Na de afdaling reed je zo het centrum van San Remo in en werden we de boulevard van San Remo (natuurlijk vol met palmbomen) op geloodst, waar de finish zich bevond. Het gevoel dat zich van mij meester maakte, toen ik na 295 kilometer fietsen het rode finishdoek met daarop ‘Arrivo’ zag, is eigenlijk niet te omschrijven. Het was een mix van opluchting, een enorm voldaan gevoel, vreselijke vermoeidheid en intens geluk.

Na de meet gepasseerd te hebben, ben ik direct achter de finish een grote tent ingereden, waar de organisatie de vermoeide renners op bananen, drinken een warme pasta’s trakteerde. Ik liep (voor zover dat nog ging) naar de voedselafdeling, waar ik van een typische Italiaanse ‘mama’ een bak warme pasta kreeg. Ik ben gaan zitten op een trapje, waar ik (terwijl ik mijn pasta naar binnen slobberde) me besefte dat ik door het afzien me van de laatste 30 km eigenlijk bijna niets meer kon herinneren.

In afwachting van de binnenkomst van mijn collega’s ben ik buiten in het zonnetje gaan zitten. Ik heb bijna 3 uur buiten in het zonnetje gezeten en wat me vooral opviel was dat de ambulances af en aan bleven rijden. Niet een heel erg goed teken. Ik zag nog een renner in een ambulance zitten, die er ongeveer uitzag als Marc Lotz na de valpartij in de 1e etappe van Tour de France. Mijn collega’s zijn wonder boven wonder allemaal ongedeerd gebleven, wat wel zo prettig is natuurlijk.

Nadat iedereen binnen was zijn we nog even de tent ingegaan, onder andere om hier een (erg mooi) deelnamecertificaat op halen waar de gemiddelde snelheid, benodigde tijd en gefinishte positie stond vermeld. Mijn certificaat (wat ik zuinig heb bewaard) vermeldde dat ik als 344e ben binnengekomen met een tijd van 9 uur en 19 minuten dat inhoudt dat ik met een gemiddelde snelheid van 31,6 km/h het parcours van 295 km heb afgelegd.

Ze hadden Milaan - San Remo ook de ‘Tocht der 1001 gekken’ kunnen noemen, want terugkijkend op de tocht leek het daar op sommige momenten wel op. Je neemt risico’s waarvan je onder normale omstandigheden zou zeggen dat het gekkenwerk is. Dit bewijst maar weer dat wielrenners eigenlijk gekke mensen zijn. Milaan - San Remo is een absoluut een schitterende en indrukwekkende wielervaring, een evenement dat je eigenlijk een keer meegemaakt moet hebben. Mocht je ooit de mogelijkheid hebben om deze wedstrijd te rijden, zou ik het je zeker aanraden. Vooral omdat ik weet dat renners van De Bataaf af en toe gek genoeg zijn, om een dergelijke wedstrijd te rijden. Het is bovendien best een sportieve uitdaging, vooral als je van plan bent vooraan te eindigen. De winnaar van dit jaar legde de tocht af in 7 uur en 31 minuten, wat gelijk staat aan een gemiddelde van 39,8 km/h. Als je dus vooraan zou willen rijden, moet je er dus nog behoorlijk aan trekken.

Ik ga er nu maar weer mee stoppen, want het is veel te mooi weer om lang achter de computer te zitten. Ik weet niet wat jullie gaan doen, maar ik ga lekker fietsen. De volgende editie van ‘Uit de Mongolenwaaier…’ gaat zeer waarschijnlijk over de Ronde van Zwanenburg, (tenzij ik eerder nieuws heb) waar ik als wielrennende reporter aan de start zal staan.

Vincent

Sponsoren




Cees Steur Makelaardij



Amsterdam en omstreken

 



Bouwbedrijf Nieuw Vennep



 

 

 

 

logo hoffman

 

oostwouder

 

logo melle jongkind